Kunstenpunt about Park Poétik (NL)

14 June, 2022 | News

Geschreven door Mona Cornelis van Kunstenpunt

 

Mijn eerste kennismaking met Park Poétik vond plaats in de zomerse drukte van Brasserie Verschueren in Sint-Gillis. Ik had er afgesproken met Margaux Fabris, die mij vanuit haar actieve betrokkenheid bij de intélligence collective van Park Poétik meer uitleg zou geven over het concept. Toen ik het kleurrijke terras naderde en haar gezicht in de menigte probeerde te onderscheiden, werd ik mij echter plots bewust van een subtiele verandering in de sfeer waarin al deze mensen baadden. Deze was niet langer louter de optelsom van de gezelligheid van elk groepje afzonderlijk, maar leek net te ontstaan vanuit een onzichtbare kracht die alle eilandjes waaruit het terras bestond met elkaar in verbinding bracht. Ik zag hoe verschillende cafégangers die verspreid waren over het terras oogcontact maakten, verward naar elkaar lachten en een gesprek aanknoopten. Wanneer ik Margaux tegen het lijf liep, wees ze mij vrolijk op de oorzaak van deze verbindende sfeer: tussen de eilandjes heen rolden automatisch bestuurde megafonen op wieltjes, die soms ludiek de opdieners achtervolgden, dan weer halt hielden bij verschillende tafeltjes om op een normaal, haast bedeesd spreekvolume allerlei boodschappen te verkondigen. Het bleek een live street performance die, zo legde ze uit, een coproductie was van de Koekelbergse Alliantie van Knutselaars (K.A.K.) en CREW voor Park Poétik. “Sperren ze hun monden wagenwijd open, in de hoop dat wij naar hen luisteren? Of zijn het gigantische oren, gespitst om ons verhaal te horen?” In Hamja Ashans ‘Shy Radicals. The Antisystemic Politics of the Introvert Militant’ (2017) vonden deze makers inspiratie voor de hoornrobots die, in een tijd waarin het publieke debat gedomineerd wordt door de luidste roepers van de extreemste meningen, de minder beluisterde, genuanceerde stemmen hoorbaar maken. ‘De Ongehoorden’ is slechts één voorbeeld van de ontzagwekkende veelheid aan poëtische interventies waarmee Park Poétik de publieke ruimte van Sint-Gillis en Vorst deed openbloeien. Tijdens de afgelopen twee coronazomers organiseerden ze in totaal meer dan 150 projecten (!) om in eerste instantie kunstenaars een speelkans te bieden en een publiek te bereiken dat het hardst getroffen werd door de crisis. 

 

De kiemen voor het idee van Park Poétik ontstonden vanuit het razend populaire tweedaagse festival SuperVliegSuperMouche (SVSM) dat iedere zomer plaatsvond in het Park van Vorst en zo’n 25.000 bezoekers lokte op één weekend. Met een stuurgroep van zeven partijen (WIELS, de twee gemeenten Sint-Gillis en Vorst, en de vier culturele centra: GC Pianofabriek, GC Ten Weyngaert, BRASS en Le Centre Culturel Jacques Franck) plus twintig à dertig partners, vormde de organisatie van het festival een oefening in transversaal werken, dat al de kiemen voor een radicale participatieve methode in zich droeg. Langzamerhand ontstond uit de intélligence collective die hier werkzaam was, het verlangen om zich niet te beperken tot deze tweedaagse, maar samen activiteiten buiten de muren van de grote kunst- en culturele instellingen te blijven organiseren. Deze wens zou Benoit De Wael in 2017, als coördinator van de stuurgroep, vertalen naar de organische identiteit van ‘Park Poétik: “Een aantal partners vonden dat veel te conceptueel en snapte niet hoe we dat gingen realiseren, maar voor mij is dat altijd een sterk punt geweest: ik vond dat alle energie die we in dat festival stopten, ook duurzaam moest zijn. Ik heb regelmatig gezegd: wij zitten in een overlevingsstrategie en daardoor stellen we niet altijd de juiste vragen. Waar willen we staan binnen vijf jaar? Ik forceerde onze partners om kleur te bekennen.”

 

De knoop werd echter pas doorgehakt door de coronacrisis, die niet enkel het behoud van het toenmalige format onmogelijk maakte, maar ook aandrong op het fundamenteel reflecteren op vragen zoals ‘Wie heeft recht op cultuur? Voor wie wordt kunst gemaakt? Wie wordt er uitgesloten? Wie wordt er vergeten? Wie wordt er niet gerepresenteerd?’ Vanuit deze existentiële context zouden ze er dan bewust voor kiezen om de straten op te trekken: “omdat covid ons ervan weerhield om mensen samen te brengen, gaan wij de mensen opzoeken waar ze zijn; want er zijn altijd mensen op straat, er is altijd publiek. Je moet ze maar gaan zoeken.” Qua publiekswerking moesten ze dus plots radicaal anders te werk gaan, benadrukte Margaux: “SVSM was eerder een festival gericht op kinderen en jonge gezinnen. We hadden ook een afdeling in het park voor baby’s en kleine kinderen. Nu is iedereen die aanwezig is in de publieke ruimte ons publiek, van kind tot senior.” De tweede radicale keuze was om geen activiteiten op voorhand aan te kondigen, maar om te verrassen via allerlei artistieke interventies in de straat die de vorm aannamen van “efemere performances zoals een roze gorilla in een tram of miljoenen zeepbellen op straat, maar ook ontroerende of hilarische momenten zoals een cupido die knuffels geeft of een theatraal mobiel toilet in een park.” Door dit element van toeval en spontaniteit centraal te stellen probeerden ze een antwoord te bieden op het risico om slechts een specifiek, gepriviligieerd publiek te bereiken (bvb. enkel zij die een ticket kunnen betalen, of die vrij zijn in het weekend, of enkel zij die mobiel genoeg zijn om naar een bepaalde plek te komen, of die al het culturele kapitaal hebben om geïnteresseerd te zijn in de activiteiten van Park Poétik en deze op te volgen). Bovendien gunden ze zichzelf als organisatie op die manier “een vrijheid in handelen die je in de culturele sector, waar alles kapot wordt gecommuniceerd, niet meer kent”, aldus Benoit.  

 

“Toen voelde iedereen de noodzaak dat we toch een rol hadden te spelen in een van de grootste crisissen van onze tijd en als je teruggaat naar de basis – artiesten willen in dialoog gaan met het publiek – wel, dan besloten wij om op andere manieren na te denken over hoe dat kan gebeuren.”

 

Via de combinatie van de participatieve aard van de interventies en het element van verrassing creëert Park Poétik dan een stedelijke ruimte waarin op een heel directe manier in dialoog getreden wordt met de toevallige passanten in de straten: “je prikkelt mensen op een heel andere manier, terwijl in de klassieke culturele context mensen al geïnformeerd zijn: ze kopen een ticket, komen toe, praten met niemand, vertrekken en hebben geconsumeerd.” De verschillende reacties op de interventies vormden hierbij ook een realistische afspiegeling van de aanwezige spanningen en contrasten in de stad: “soms werden wij enorm warm verwelkomd: ramen en deuren die opengingen, applaus, mensen die ons eten en drinken kwamen aanbieden – en op andere plekken werden we afgesnauwd, kwamen mensen racistische of seksistische opmerkingen geven.” Toch onderstreept Margaux hoe waardevol de spontaniteit en de eerlijkheid van de reacties zijn, die maar zelden op zo’n directe manier tot stand komen in een klassieke museale context:  “want zo leer je ieders visie begrijpen, ieders beeld van de stad, van hoe zij de stad ervaren.” Om ook letterlijk de dialoog aan te gaan met de stad, zet Park Poétik bij iedere artistieke ingreep vrijwilligers in als aanspreekbare bemiddelaars, die mogelijke participanten van extra context konden voorzien of met wie omstaanders in gesprek konden gaan. 

 

Centraal staat voor hen dan niet zozeer het artistieke op zichzelf genomen, maar bovenal de uitwisseling die ontstaat vanuit de confrontatie tussen kunstenaars en publiek: “wij zijn geen missionarissen die vinden dat iedereen van kunst en cultuur moet houden. Maar wij zijn er wel van overtuigd dat via die kunst en cultuur er misschien een gesprek op gang komt, dat het iets kan losweken op een andere manier.” De stedelijke ruimtes van ontmoeting en dialoog die vanuit de poëtische interventies ontstaan, doen  hierbij denken aan de ‘spaces of non-consent’ waarvan de politieke filosoof Jacques Rancière sprak in het interview dat Verso met hem afnam deze zomer: “We find ourselves not facing capital but inside it. All we can do is dig holes, try to create and enlarge spaces of non-consent. The challenge is to manage to maintain dissensus, maintain a distance. What can this distance produce in the future? I don’t know. But even these figures of distance are a way of living differently in the world we challenge.” Park Poétik positioneert zich nadrukkelijk op het politieke veld door manifest te beantwoorden aan een politieke urgentie die Pascal Gielen, opnieuw in navolging van Chantal Mouffe, benoemt: “We hebben nood aan publieke ruimte waar plaats is voor gezond conflict. Anders krijgen we echte uitbarstingen van ‘zinloos’ geweld – zoals de laatste jaren in de buitenwijken van Parijs of Londen.”

 

 

 

De manier waarop Park Poétik zulke ‘spaces of non-consent’ creëert, verbeelden ze zelf op vier manieren: via de denkbeelden van een broedplaats, een ontmoetingsplek, een stadslaboratorium en een schimmel. Concreet gaan ze dan als volgt te werk: na de zomer bepalen ‘dreamcatchers’ (dat is een “niet-exclusieve groep van artiesten, bewoners, vrijwilligers, socio-culturele organisaties en lokale overheden”) gedurende ruim een half jaar het thema en de inhoudelijke lijn van de volgende editie. In dit proces worden er geleidelijk aan werkgroepen gevormd rond bepaalde poëtische interventies die eenzelfde participatieve insteek of vorm delen. Om de ideeën die vanuit deze broedplaatsen ontstaan te realiseren in een participatieve kunstenzomer, maakt Park Poétik gebruik van het participatiecontinuüm van Demos “waar elke strategie een aparte benadering heeft van hoe je publiek kan betrekken; van louter toevallig tot doelbewust, van inspraak gevend tot co-creërend en ruimte makend.” Zo creëren ze in de stad plekken waar een superdiverse groep mensen elkaar kan ontmoeten. Net zoals het collectief Espace Fxmme en Léon, vormt Park Poétik hierbij ook een stadslaboratorium waar geëxperimenteerd wordt met horizontale organisatiestructuren en inclusieve samenwerkingsvormen. Hierbij onderscheiden ze zich in de wijze waarop ze zich niet afsnijden van de reeds gevestigde machtscentra of politieke spelers, maar net heel sterk inzetten op de kracht van synergie: “het is een resultaat van een breed partnerschap waar ruimte en plaats wordt gemaakt voor verbindingen tussen in- en outsiders, tussen individuen en organisaties en tussen verschillende overheden.” Door op zo’n radicale manier te kiezen voor de openbare ruimte en via Demos en Lasso aan kennisdeling te doen, hopen ze dan als een schimmel alle Brusselaars aan te steken “om de publieke ruimte te delen en zo tot een bruisende en levendige stad vol bewondering te komen waar mensen zich met elkaar verbonden voelen.”

 

Park Poétik is dan bovenal een verhaal van de democratisering van kunst en cultuur, dat voor Benoit ook een fundamentele bevraging van de vermarkte logica die de culturele industrieën kenmerkt impliceert: “Allez, ik vind dat zo fascinerend: deze zomer opent iedereen alles terug alsof ze alles vergeten zijn. Maar bij mij zijn mijn ogen geopend door wat wij gedaan hebben, door de dialogen die ontstonden via de vrijwilligers op straat. […] Door dit te doen, ben ik pas die machtsverdeling vanuit dat witte privilege beginnen beseffen, vanwaar ik dan pas ook echt heel dat systeem begon te zien.” Hierbij drukt hij zijn hoop uit  dat de inzichten die Park Poétik opdoet vanuit de dialogen die zij op gang brengen in de publieke ruimte, ook kunnen doorstromen binnen de grotere culturele instellingen, zodat deze kunnen mee-evolueren en dekoloniseren vanuit een directe connectie met de stedelijke context. “De staat is een gewichtige zaak, en hij dient veranderd te worden”, stelt Chantal Mouffe in een gesprek met Wouter Hillaert en Sébastien Hendrickx, “Dat kan enkel door jezelf te betrekken en te engageren binnen bestaande instituten, en zo het systeem van binnenuit te transformeren. Er is in deze postpolitieke tijd dringend nood aan een nieuwe synergie tussen politieke partijen en artistieke praktijken.” Park Poétik beantwoordt voor mij manifest aan deze oproep, met dezelfde eigenzinnige combinatie van artistieke speelsheid en politieke daadkracht als een megafoon op wieltjes die langs de eilandjes van de maatschappij rolt en deze samenbrengt in een ruimte van dissensus waarin zowel geluisterd wordt naar zij die zelden het woord krijgen als gesproken wordt door zij die zelden gehoord worden. 

Meer Kunstenpunt ? Surf naar kunsten.be

Of lees het volledige artikel hier.

 

Pin It on Pinterest

Share This